Daarna berekenen we het verschil tussen de ploegen. Dat is het verschil tussen elke ploeg en de kleinste ploeg in het regime van die dag:
- het verschil op dag 1: 20 op een totaal van 140 à (60-40)+(40-40)/(60+40+40)
- het verschil op dag 2: 30 op een totaal van 60 à (20-10)+(30-10)/(20+10+30)
Vervolgens tellen we die verschillen op om de afwijking op het totaal te berekenen. In dit voorbeeld is dat dus (20+30)/(60+140) = 50/200 = 25%. We moeten dan 25% aftrekken van het bedrag van de vrijstelling die je wilt toepassen.
Bij de invoering was het niet duidelijk op welk niveau (per ploeg, per afdeling, per bedrijf …) je deze correctiefactor moest berekenen. Daarom werden er eind 2024 twee verduidelijkingen ingevoerd.
- Je moet één correctiefactor per maand berekenen die geldt voor de gehele onderneming. Je neemt dus alle dagen en alle ploegen in één maand op voor bovenstaande berekening. Met andere woorden: je berekent op ondernemingsniveau. Deze correctiefactor mag wel een onderliggende berekening op departementsniveau bevatten. Voor alle werknemers die onder de toepassing van de “bis”-berekening vallen, zal echter dezelfde correctiefactor berekend moeten worden.
- Je moet het voordeel van de doorstorting beperken tot het laagste van volgende twee bedragen:
- 22,8 pct. of 25 pct. van de in aanmerking komende bezoldigingen;
- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing.
Voorbeeld
We gaan uit een correctiefactor van 10% en een belastbare bezoldiging van 3500 euro. De bedrijfsvoorheffing bedraagt 455 euro.